Insolventierecht

2 april 2019

Mag een curator bedrijfsruimte onderverhuren? Hoeveel beleidsvrijheid heeft de curator?

Een schoenenwinkel was gevestigd in een gehuurd winkelpand. De huur bedroeg € 52.500 ex BTW per jaar. De schoenenwinkel ging failliet. De faillissementswet bepaalt dat in geval van faillissement zowel de verhuurder als de curator de huurovereenkomst kan opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van maximaal drie maanden. De verhuurder maakte gebruik van deze bepaling en zegde de huurovereenkomst op.   

In de huurovereenkomst was een verbod om onder te verhuren opgenomen. Ondanks dit verbod gaf de curator de winkelruimte enkele weken tegen betaling van een vergoeding in gebruik aan een derde. Deze derde was van plan de activa van de winkel over te nemen en winkelvoorraden te verkopen. De curator stelde met de onderverhuur een doorstart te willen faciliteren, maar verzocht geen indeplaatsstelling. De curator vroeg ook geen toestemming voor de onderverhuur aan de verhuurder. De verhuurder liet de curator zelfs meerdere malen weten niet in te stemmen met de onderverhuur.

Persoonlijk aansprakelijk gesteld
Huur, die na datum faillissement verschuldigd wordt, is volgens de wet een boedelschuld. Dat betekent dat de verhuurder een vordering met een hoge voorrang heeft. In dit geval had de boedel onvoldoende middelen om de huur over de opzegtermijn, die ruim € 17.000 bedroeg, te betalen, terwijl de curator wel een vergoeding ontving van de onderhuurder. De verhuurder was het niet met de gang van zaken eens en vond dat hij gehinderd werd bij het vinden van een nieuwe huurder. De curator verstrekte hem ook nog eens geen informatie over de beoogde doorstart. De verhuurder heeft de curator zowel qq (in zijn functie van curator) als pro se (persoonlijk) aansprakelijk gesteld.

Boedelschuld
De rechtbank, het Hof en de Hoge Raad stelden de verhuurder in het gelijk (HR 9-11-2018 ECLI:NL:HR:2018:2067). Een faillissement brengt geen verandering in uit overeenkomsten voortvloeiende verplichtingen. Als de failliet het gehuurde niet mag onderverhuren, mag de curator dat dus ook niet. Als de curator, ondanks het uitdrukkelijke verbod, toch onderverhuurt is er volgens de Hoge Raad zelfs sprake van een actieve schending van een verplichting. De door de verhuurder geleden schade levert een boedelschuld op.  

Niet zorgvuldig
Daarnaast kan een curator ook persoonlijk aansprakelijk zijn jegens schuldeisers. Dat is het geval wanneer hij zijn wettelijke taak tot beheer en vereffening van de boedel onzorgvuldig heeft uitgeoefend. Een curator heeft wel een zekere beleidsvrijheid, hij moet zich richten naar het belang van de boedel. Het is in beginsel wel aan zijn inzicht overgelaten op welke wijze en langs welke weg dat belang het beste kan worden gediend.  Een curator moet zijn taak nauwgezet en met inzet verrichten. Een curator is bovendien gebonden aan regels. Komt hij die regels niet na, dan kan hij persoonlijk aansprakelijk zijn. In dit geval trof de curator ook persoonlijk een verwijt. Er bleek namelijk helemaal geen sprake te zijn van een doorstart. De onderhuurder nam de huurovereenkomst niet over. De curator verhuurde het winkelpand wetende dat de verhuurder zich tegen de onderverhuur verzette en zonder bij de onderhuurder te bedingen dat deze in overleg zou treden met de verhuurder. Bovendien verkocht de onderhuurder niet alleen de winkelvoorraad, maar ook zaken die niet aan de boedel toebehoorden. Kortom het handelen van de curator was niet echt zorgvuldig te noemen. De schade die de verhuurder leed bestond hierin dat de curator van de onderhuurder een vergoeding had ontvangen, maar dat deze niet ten goede was gekomen aan de verhuurder.

De verhuurder heeft dus een niet te verwaarlozen positie in geval van een faillissement van de huurder. Dit is van belang, zeker wanneer het gaat om bijvoorbeeld verhuurde winkelpanden op A-locaties.

Meer weten over huur/verhuur, faillissementen en regels waaraan de curator zich moet houden? Neem contact met ons op.

Laatste nieuws

Franchise

Verjaringsperikelen bij prognose-zaken

Indien een franchisenemer bij het aangaan van de franchiseovereenkomst ondeugdelijke prognoses heeft gekregen van zijn franchisegever kan hij in sommige gevallen de franchiseovereenkomst vernietigen op grond van dwaling. Maar dat moet hij dan wel binnen een bepaalde termijn doen. Is de franchisenemer te laat met zijn beroep op dwaling dan is zijn vordering verjaard.

25 november 2022

Meer hierover

Franchise

Franchisegever moet schadevergoeding voldoen omwille van onregelmatige beëindiging

Het onregelmatig beëindigen van een franchiseovereenkomst zorgt er voor dat de partij, die ten onrechte beëindigt, schadeplichtig wordt jegens de andere partij. En dat kan grote financiële gevolgen hebben, zoals ook blijkt uit de casus die in deze blog wordt besproken.

9 november 2022

Meer hierover

Franchise

Franchisenemer vraagt tevergeefs vernietiging non-concurrentiebeding

Een postcontractueel non-concurrentiebeding is een beding dat een franchisenemer na het einde van de franchiseovereenkomst verbiedt om met de formule concurrerende activiteiten te ontplooien. Een franchisenemer die is gebonden aan een dergelijk postcontractueel non-concurrentiebeding kan zich op allerlei standpunten stellen om de werking van dit beding aan te tasten. Vaak blijkt echter dat deze standpunten niet tot het gewenste resultaat leiden, te weten het terzijde schuiven van het postcontractuele non-concurrentiebeding, zoals ook blijkt uit de volgende casus.

6 oktober 2022

Meer hierover